HET WAS ALLEEN IK EN MIJN HOND – IK HAD GEEN ANDERE VRIEND MEER IN DEZE WERELD
De nachten waren het ergst. Koud, eenzaam en veel te lang. Maar ik had tenminste Rusty.

Rusty was niet zomaar een hond, hij was mijn laatste vriend. Mijn enige familie. We hadden alles samen doorgemaakt en hoe erg het ook werd, hij krulde zich altijd tegen me aan, hield me warm en hield me gezond.
Die nacht zat ik op de stoep, met hem stevig vast, toen er een politieagent voor ons stopte.

Ik spande me in. Agenten zorgden meestal voor problemen voor mensen zoals ik.
«Gaat het?» vroeg hij. Zijn stem was kalm, niet hard zoals ik had verwacht.
Ik knikte en wreef over Rusty’s oren. «Ik probeer gewoon de nacht door te komen.»

De agent hurkte neer, ogen gericht op Rusty. Hij stak zijn hand uit, liet Rusty aan zijn hand snuffelen en streek toen met zijn vingers door de vacht van de hond alsof hij hem al kende.
«Hij is een goede jongen,» zei de agent zachtjes. Maar er was nog iets anders in zijn stem—iets zwaars.
Hij stelde me nog een paar vragen en deed toen iets onverwachts. Hij haalde zijn portemonnee tevoorschijn en gaf me wat geld. “Ga wat eten. En ook iets voor hem.”